Onze geschiedenis

In de 19e eeuw was Gent een bloeiende industriestad. Op één eeuw tijd verdriedubbelde de bevolking waardoor de stad als het ware uit haar voegen barstte. Met het afschaffen van de octrooirechten in 1860 verdween de strikte scheiding tussen “intra muros” en “extra muros” en kon de stad zich gaan uitbreiden over het nabijgelegen platteland. Zo werd ook het landelijke Sint-Pieters-Aaigem geürbaniseerd, met de bouw van het Sint-Pietersstation naar ontwerp van Louis Cloquet (1908-1912) als belangrijkste katalysator.

In 1902 werd als gevolg van de sterk aangegroeide bevolking in het gebied de Sint-Paulus-parochie opgericht. Op aanvraag van de toenmalige bisschop van Gent, Monseigneur Stillemans, namen de “Dames van het Christelijk Onderwijs” de taak op zich om het onderwijs in de nieuwe parochie te verzorgen. Deze kloostergemeenschap werd in het begin van de 19e eeuw gesticht in Frankrijk en was sinds 1808 in België actief vanuit het moederklooster in Dooresele en later (vanaf 1921) te Flône. Onder het devies “Gaudere et bene facere” (Blij zijn en goed doen) richtten zij verschillende onderwijsinstellingen op, o.a. te Brugge, te Antwerpen en te Luik. Op die manier speelden ze een belangrijke rol bij het tot stand komen van een degelijk onderwijs voor meisjes.

In 1904 kocht de congregatie een stuk grond aan van meer dan één hectare, begrensd door de Koning Albertlaan, de Meersstraat, de Smidsestraat en de Sint-Paulusstraat. In datzelfde jaar nog werd aan de Smidsestraat een schooltje voor kleuter- en lager onderwijs opgericht. Architect Van Hoecke-Delmarle tekende een eenvoudig maar verfijnd gebouw, in een eclectische stijl die typisch is voor de school- en landelijke stationsarchitectuur van rond de eeuwwisseling. Door latere verbouwingen is het exterieur veel van zijn oorspronkelijke charme verloren. In 1905 ging het schooltje van start met 62 leerlingen die gratis onderwijs konden volgen. De school heette toen nog Sint-Paulus, naar de nabijgelegen houten (!) parochiekerk.

Het jaar daarop, in 1906, werd gestart met de bouw van het klooster en de middelbare afdeling. Hiervoor werd Henri Geirnaert aangesproken. Deze architect werkte voornamelijk in neogotische stijl, op dat moment de meest gebruikelijke bouwtrant voor kerken en katholieke schoolgebouwen. Bij de bouw van het Sint-Pietersinstituut werkte Geirnaert samen met de Gentse aannemer De Meyer. De gevel met natuurstenen parement aan de Koning Albertlaan getuigt van een sobere neogotische vormgeving. De ingang centraal in de gevel gaf toegang tot het klooster; de ingang uiterst links was bedoeld voor de (betalende) leerlingen. De geleding met zogenaamde Brugse traveeën zorgt voor een verticaal streven en voor lichtheid in het gebouw. Oorspronkelijk versterkten dakkapelletjes en getrapte dakvensters nog deze indruk. Door het toevoegen van een vlak afgedekte vierde bouwlaag in de jaren ’60 (architect Warie) werd dit effect echter tenietgedaan.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In het interieur bleven de trapzaal, de wintertuin en de ontvangstzaal vrijwel intact bewaard: ze ademen nog steeds de statige sfeer van weleer uit. De neogotische kapel op de eerste verdieping werd later omgevormd tot bibliotheek naar ontwerp van architect Paul Willems en vervolgens tot open leercentrum. De vier glasramen werden gerestaureerd en ingepast in de moderne architectuur.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De tuinvleugel was bestemd voor het “pensionnat” of “internat”, de betalende leerlingen die op school bleven slapen, en het “demi-pensionnat” of “demi-internat”, de betalende leerlingen die ’s avonds naar huis gingen.  De vleugel omvatte verschillende klaslokalen (waaronder een “keukenklas”), de feestzaal, de refter en de “chambrettes” van de internen. Onder het dak was een teken- en schilderlokaal ingericht. Deze eerste grote bouwfase werd in 1908 beëindigd en op 30 augustus van dat jaar werden de gebouwen door de Dames van het Christelijk Onderwijs officieel in gebruik genomen.

Amper één jaar later, in maart 1909, dienden de Dames opnieuw een bouwaanvraag in. Rechts van het bestaande gebouw plande men de oprichting van een directeurswoning. Hierachter, van de woning gescheiden door een binnentuin, werd een overdekt zwembad aangelegd (huidige eetzaal). De directeurswoning onderscheidt zich aan de straatzijde van de andere gebouwen doordat ze iets lager is en doordat de Brugse traveeën enkel de tweede en derde bouwlaag omvatten. De gevel is in baksteen uitgevoerd. Links van het hoofdgebouw kwam een nieuwe vleugel, waarin de niet-betalende sectie van de school, het “externat”, werd ondergebracht. De niet-betalende leerlingen kregen een aparte ingang aan de Koning Albertlaan. Pas na de Eerste Wereldoorlog zal door de toepassing van de leerplichtwet van 1914 deze strikte scheiding tussen betalende en niet-betalende leerlingen wegvallen. In 1911 werd het gebouw nog met 10 identieke traveeën verlengd. In deze aanbouw was de turnzaal gelegen, heden omgebouwd tot lerarenkamer. Ook de plannen van de uitbreidingen in 1909 en 1911 zijn van de hand van Henri Geirnaert.

In 1927 deden de Dames van het Christelijk Onderwijs afstand van een stuk grond ten gunste van de kerkfabriek van Sint-Paulus. Zo kon – 25 jaar na de oprichting van de parochie – de houten hulpkerk eindelijk vervangen worden door de huidige neoromaanse kerk naar ontwerp van architect Valcke.

Na de Tweede Wereldoorlog werd in de tuin een nieuw gebouw opgetrokken voor de lagere school, het zogenaamde “tuinblok”. In 1969 krijgt de lagere school een onderkomen in een volledig nieuwe vleugel aan de Meersstraat. In 1981 werden een nieuwe sportzaal en feestzaal toegevoegd, naar ontwerp van architect P. Van Maele. Tenslotte bouwde men in 1991 een nieuw secretariaat naar ontwerp van architect Paul Willems. Ook de overkappingen ten behoeve van de leerlingen zijn van zijn hand.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In de paasvakantie 2003 verlieten de kloosterzusters onze school en verhuisden ze naar Luik. Hun kamers en salon werden gerenoveerd en verbouwd tot internaatskamers en living voor de internen.

Vanaf 1908 kon het Sint-Pietersinstituut dus een volledige opleiding aanbieden: van kleuterklas over lagere school tot middelbaar onderwijs. De school was oorspronkelijk gericht op een Franstalige elite. Ook leerlingen van de zusterscholen in Engeland werden aangemoedigd om in het “Maison Saint-Pierre” hun kennis van de Franse taal te komen vervolmaken. Gaandeweg werd de opleiding steeds “democratischer”: vanaf 1919 werden geen inschrijvingsgelden meer gevraagd en vanaf 1963 werd onder invloed van de taalwetgeving het onderwijs progressief vernederlandst.

 

 

 

Het hoger onderwijs dat het instituut in de stichtingsperiode bood, had voornamelijk tot doel de meisjes op te leiden tot goede echtgenotes. Naast de christelijke leer en vakken gericht op algemene kennis zoals talen, wetenschappen en kunst, stonden ook handwerk, koken en “huishoudkunde” op het programma. Zweeds turnen en zwemmen moesten bijdragen tot een mooie lichaamshouding, terwijl de initiatie in tekenen, muziek, dans en sport de meisjes moest leren de dag te vullen met “gezonde bezigheden”, die hen behoedden voor luiheid en ontevredenheid. Grote nadruk werd gelegd op sociale vaardigheden zoals onderhoudend converseren en brieven schrijven, en het cultiveren van eigenschappen zoals netheid, bescheidenheid en “goede smaak”.

De doelstellingen en het daaraan gekoppelde lessenpakket werden door de jaren aangepast aan nieuwe inzichten, waarbij de nadruk steeds sterker te liggen kwam op een evenwichtige ontplooiing van de leerlingen tot zelfstandige jonge volwassenen.

Anno 2022 is het Sint-Pietersinstituut een doorstroomschool die haar leerlingen voorbereidt op het hoger onderwijs. Haar studieaanbod omvat:

  • het eerste leerjaar A met drie keuzegedeelten: Economie en moderne vreemde talen, Klassieke talen, Technologie en wiskunde-wetenschappen; 

  • het tweede leerjaar A met de basisopties Economie en organisatie, Grieks-Latijn, Latijn, Moderne talen en wetenschappen, STEM-wetenschappen;

  • de tweede graad met de domeinoverschrijdende doorstroomstudierichtingen Economische wetenschappen, Grieks-Latijn, Humane wetenschappen, Latijn, Moderne talen, Natuurwetenschappen;

  • de derde graad met de domeinoverschrijdende doorstroomstudierichtingen Economie-moderne talen, Economie-wiskunde, Grieks-Latijn, Grieks-wetenschappen, Grieks-wetenschappen-wiskunde, Grieks-wiskunde, Latijn-moderne talen, Latijn-wetenschappen, Latijn-wetenschappen-wiskunde, Latijn-wiskunde, Moderne talen-wetenschappen, Moderne talen-wiskunde, Wetenschappen-wiskunde. In 2023, wanneer ook de derde graad gemoderniseerd zal worden, zullen de studierichtingen Grieks-wetenschappen en Moderne talen-wiskunde verdwijnen, terwijl Humane wetenschappen en Modere talen aan het aanbod zullen worden toegevoegd.